Pagina 54, 62, 66, 70 Agritoy nummer 1 2026 vertaling 3

Nummer 1 - Februari 2026

54 Seizoensmachines
62 Interview Tom Nidschelm
66 Interview Marcel Scholten
70 Beursverslag Clavier


54 SEIZOENSMACHINES

Ook in miniatuur zijn er diverse rupstrekkersen oogstmachines op rupsen bekend. In deze Seizoensmachines komen de verschillende varianten van rupsbanden aan bod.

Albert Jan Kamphuis websites en catalogi miniatuurfabrikanten tenzij anders vermeld 0Bronnen: websites en folders van fabrikanten van de genoemde machines, farmmodeldatabase.com,Trekker: diverse artikelen

RUPSTREKKERS en machines op rupsbanden

De geschiedenis van trekkers met rupsbanden gaat terug tot rond 1904. Benjamin Holt, één van de oprichters van Caterpillar, ontwikkelde toen een stroomtrekker op rupsbanden. Zo kon je ook op minder draagkrachtige grond met deze zware machine werken. Rupsbanden hebben ten opzichte van wielen namelijk een groter contactoppervlak met de grond, en daardoor een lagere bodemdruk en minder slip. In 1986 kwam de eerste trekker met rubberen rupsen op de markt, de Caterpillar Challenger 65. De rubberen rupsen bieden vergeleken met stalen rupsen onder andere meer comfort, dankzij minder lawaai en trillingen en de mogelijkheid om ook op verharde wegen te kunnen rijden. Diverse fabrikanten ontwikkelden verschillende rupsbandsystemen voortrekkers en oogstmachines. Als afspiegeling van de 1/1 voorbeelden verschijnen trekkersen machines op rupsbanden ook in miniatuur. Een selectie van miniaturen met verschillende rupsen zien we hier voorbijkomen.

1. Caterpillar Twenty van Diecast Masters in 1/50, uitgebracht ter gelegenheid van honderd jaar Caterpillar (1925-2025). Caterpillar TractorCompany bracht de Twenty in 1927 op de markt in een donkergrijze kleur.

2. Caterpillar Twenty Five van Diecast Masters in 1/16. In 1931 wijzigde Caterpillar de kleur van de machines van grijs naar geel. Caterpillar introduceerde rond dat jaar ook het type Twenty Five met een viercilinder 25 pk benzinemotor.
3. In een catalogus van ROS van eind jaren tachtig zien we onder andere de Fiat 95-55 en de Massey Ferguson 294 C in 1/32.De (van oorsprong) Italiaanse trekkermerken hebben ook nu rupstrekkers op stalen rupsen in het programma, veelal kleinere.
4. Deutz 60 PS Raupenschlepper uit de Schuco Pro.R32-serie.Deutz had in de jaren vijftig de 60 pk rupstrekker in het programma. De Deutz rupstrekkers konden af fabriek ook met een dozerblad worden uitgevoerd als 60 PS Planier-Raupenschlepper.
5. Onder eigen merknaam en -kleuren had ook Claas de Challenger rupstrekkers in het programma. Deel van een afbeelding uit een folder van de Claas Challenger 65 E t/m 95 E uit 1999.
6. Challenger MT 867 van USK Scalemodels in 1/32. Caterpillar introduceerde in 1986 de Challenger 65 met rubberen rupsen, later volgde de Challenger MT met een rupsonderstel met groot aandrijfwiel achteren kleiner loopwiel aan de voorzijde.
7. Folder van rond 1990 van Kitco rubberen rupsen waarmee je een trekker kon ombouwen tot halfrups. Van Britains kennen we de Fiat880 DT als vergelijkbare halfrups.
8. Een model geheel op rubberen rupsen is de Fortschritt ZT 300-GBvan Schuco
9. Lanz Bulldog halfrups van Schuco 1/32. Diverse fabrikanten boden in de jaren veertig en vijftig halfrupstrekkers aan. De aandrijfwielen van de wieltrekker waren hierbij vervangen door rupsen; de rupsset was vaak wisselbaar met luchtbanden. Lanz bood ook rupstrekkers(met volledig rupsonderstel) aan.
10. John Deere 9510 RT van Ertl in 1/32. Ook deze John Deere heefteen rupsonderstel met een groot aandrijfwiel achter en een kleiner loopwiel voor.
11. In 1/43 van Universal Hobbies is er de Deutz F1M 414 halfrups. Deutz kon de 11 pk F1M 414 (Elfer) wieltrekker af fabriek naast luchtbanden ook met een set aanbouwrupsen van de firma Hülle leveren.
12. New Holland T8.435 SmartTrax Blue Power van MarGe Models. Diverse trekkers zijn leverbaar als half-track, zoals enkele modellen uit de New Holland T8 Genesis serie. De half-track, of halfrupstrekker, heeft rubberen rupsen aan de achteras en banden aan de vooras.
13. De Claas Terra Trac rupsen zijn in diverse uitvoeringen leverbaar voor de trekkers, maaidorsers en hakselaars. De Claas Axion 930(half-track) van Wiking is met de Terra Trac platte rups uitgerust.
14. Fendt 1167 Vario MT van SpecCast in 1/64. De Challenger MT serierupstrekkers werd voor de Europese markt opgevolgd door de FendtMT serie.
15. John Deere 8RX 410 half-track uit de 1/32 Britains Prestige Collection16. Bij Case IH is de half-track bekend als Row Trac. Hier afgebeeld is de Case IH Magnum 340 RowTrac van Ertl in 1/32.
17. Yanmar YT5113A Delta Crawler half-track met frees als bouwkit in 1/25 van Hasegawa.
18. Case IH Steiger 600 Quadtrac van Siku. De Case IH Quadtrac kniktrekkers zijn uitgerust met vier individuele rupsbanden rondom.
19. Van Wiking is deze John Deere 9620 RX, rondom op rupsen
20. Case IH Puma 240 CVX van Universal Hobbies, rondom uitgevoerd met driehoeksrupsen. Universele rupsen van bijvoorbeeld Zuidberg,West Track en Soucy kunnen ook achteraf worden gemonteerd, en indien nodig zijn de rupsen voor wielen te verwisselen.
21. Versatile 580 DT kniktrekker van Ertl in 1/64. Versatile Delta Track kniktrekkers zijn rondom op rupsen uitgevoerd.
22. Claas Xerion 12.590 Terra Trac van MarGe Models. Voor de Xerion ontwikkelde Claas de Terra Trac als driehoeksrups.
23. Gelimiteerde oplage van ROS van de Krone BigX op (Zuidberg) tracks
24. Claas Jaguar 990 Terra Trac van MarGe Models
25. In 1/16 van Bruder een Claas Lexion 780 met Terra Trac rupsen
26. Fendt Ideal 10T van ROS. Fendt en Massey Ferguson Ideal maaidorsers kunnen met rupsen worden uitgevoerd, de Ideal 10T is hier standaard van voorzien.
27. Van Universal Hobbies is deze New Holland CR 10.90 Twin Rotor op rupsen
28. Naast trekkers en zelfrijdende oogstmachines kunnen ook getrok-ken werktuigen met rupsen worden uitgevoerd. Hier zien we een Kinze graanoverlaadwagen op rupsen van SpecCast in 1/64.
29. Naast een lagere bodemdruk en meer grip, hebben oogstmachinesop rubberen tracks het voordeel dat ze smaller en lager zijn danop wielen. Afgebeeld is de Ploeger EPD540e erwtenplukdorser van Tekno in 1/32.

Finale
Na ruim vijftig seizoenen, oftewel 12,5 jaar, komt er een einde aan de vaste reeks artikelen in de rubriek Seizoensmachines. In plaats daarvan zal afwisselend een ‘Kijk en Vergelijk’ of‘ Aanverwante artikelen’ verschijnen. Artikelen in het bekende format van Seizoensmachines, met miniaturen en oudere folders, zullen ook af en toe blijven opduiken.

62 INTERVIEW MOTOREN IN KLEINE SCHAAL Tom Nidschelm

Bij binnenkomst in Rutten in de Noordoostpolder bij Tom enElsebeth is de eerste vraag over de achternaam, die maar weinig voorkomt in ons land. Het blijkt dat de voorouders van Tom uit de Elzas komen en zich ruim tweehonderd jaar geleden vestigden in Nederland. Tom is een geboren Amsterdammer maar opgegroeid in Rotterdam. Na de ambachtsschool mocht hij nog niet naar de zeevaartschool, daar moest je zes-tien jaar voor zijn. Hij deed een praktijkjaar om zijn papieren te halen voor scheepsdieselmotoren. Daar komt het inzicht vandaan om miniatuurmotoren te kunnen bouwen. Al op jonge leeftijd monsterde hij aan op een schip. De eerstereis was naar Schotland, en het was hard werken in de jarenzestig van de vorige eeuw. Maar dat vond Tom helemaal niet erg. Hij kwam nog eens ergens en genoot van zijn leven aanboord. Later leerde Tom zijn vrouw kennen en op lange vaar-ten, mits de kapitein het goedvond, ging zij met hun nog piep-jonge zoon wel eens mee op een reis. Elsebeth geeft aan dathet wel een heel avontuur was, maar onvergetelijk. Ze kijkt terug op fijne tijden.

Dan ploft er plotseling een berichtje in de mailbox van een schrijver van De Pionier.

Johan Uitdewilligen bracht de redactie van Agritoy op het spoor van Tom Nidschelm. De oud-hoofdmachinist op de grote vaart begon ooit in zijn vrije uurtjes aan boord met het (na)maken van motoren op schaal.

Tom kwam zo op veel plaatsen, en op het schip was er naast hard werken ook voldoende vrije tijd. Want als hoofdmachinist was zijn verantwoordelijkheid het aansturen van mensen. Tom bedacht dat hij niet zo nodig aan de drank hoefde en ging in zijn vrije uurtjes liever aan de slag met het bouwen van motoren. De laatste jaren van zijn werkzame leven kwamen er verschillende modellen van zijn hand. Heel veel stationaire motoren zijn gebaseerd op eigen ontwerpen. Het is natuurlijk altijd zo dat er op de schepen niet veel materialen aanwezig waren om de modellen te bouwen. Wel goed gereedschap, want dat is een vereiste om dit soortmodellen te maken. Tom klom steeds hoger op de carrièreladder en moest ook weleens inspectietochten uitvoeren als er ergens problemen waren. Verder vermaakte hij zich prima op een sleepboot, en er moest ook wel eens een schip worden geborgen. Begin jarennegentig kreeg Tom een herseninfarct en moest hij met pijn in zijn hart afscheid nemen van zijn prachtige werk op zee.

Maar Tom is niet iemand die bij de pakken neer gaat zitten. Hij pakte na zijn herstel de hobby weer op. Om op jonge leeftijd achter de geraniums te verblijven is niet gezond. Natuurlijkwaren er de kinderen, en regelmatig was hij wel eens een klusje aan het doen bij een bedrijf in Lemmer. Dat bedrijf kocht draaibanken op, en met zijn inzicht wist Tom wel wat hij daaraan moest doen. Het grote voordeel om daar te werken, waren de spullen die werden weggegooid bij het oud ijzer.

De werkplaats achter het huis is een paradijs voor de man die alles weet van draaibanken, metaal bewerken en motoren. Zo laat Tom een prachtige verzameling boren zien, uitermate geschikt voor de draaibank en gered uit de oudijzerbak. IJzer en andere metalen gingen regelmatig mee naar Rutten en op die manier heeft Tom een prachtige verzameling kunnen opbouwen zonder veel kosten. “Eigenlijk is de prijs van elk model nul euro aan materialen.” En dat is natuurlijk mooi meegenomen.

Op de vraag hoe lang het duurt voordat een motor klaar is, haalt Tom zijn schouders op. Het antwoord is bekend bij veel bouwers van modellen. “Enkele weken tot een half jaar”, is zijn reactie. Het is nooit precies te zeggen hoe lang. Het ligt aan de motor, maar ook aan de voorbereiding en het denken over hoe één en ander in elkaar moet worden gezet. In de werkplaats zien we een aantal motoren en ook in huisstaat een kast vol met gewichtige modellen. Want sommige motoren zijn alleen niet te tillen. Tom vertelt dat hij niet een specifieke schaal heeft . De verschillende schalen staan gewoon door elkaar. Maar alle motoren zouden zo kunnendraaien en aan het werk kunnen worden gezet. Tom laat in zijn werkplaats een motortje zien dat je zo kunt inbouwen in een bootje. Verder geeft hij aan dat hij al jaren bezig is met ‘projectstoomtrekker’. Verstopt onder de werkbank onder een aantal kleden staat een imposante trekker. “Het is er nog niet van gekomen om dit project af te maken, maar wie weet is dat aan het eind van dit jaar wel heel anders”, glimlacht Tom. Omroep Flevoland maakte een jaar of zes geleden een reportage bij hem onder de titel: ‘Als je wat ontworpen hebt en het gaat draaien, lijkt het of er een kind geboren wordt’. Daar sluiten we dit verhaal mee af, want zo is het maar net met de passie van Tom.

1. In zijn werkplaats poseert Tom voor een viertaktmotor. Het is een eigen ontwerp, watergekoeld, en hij loopt op gas of benzine.
2. Deze motor is ook een eigen ontwerp. Alles functioneert naar behoren, met een uitlaatschuif, een atmosferische inlaatklep en watergekoeld.
3. Deze tweecilinder motor is watergekoeld en eigenontwerp. Op de achtergrond een deel van het goed uitgeruste gereedschapsbord.
4. Dit project is nog in aanbouw. Het is een elektromotor ontworpen door Luigi Margini, halverwege de negentiende eeuw. Hier slaat Tom wel documentatie op na. Om een zo goed mogelijk gelijkend (werkend) model te krijgen is dat wel noodzakelijk.
5. Dit model is nagemaakt naar een originele Otto Langen atmosferische motor. Dit was de eerste interne verbrandingsmotor en hij stond op de Wereldtentoonstelling van Parijs in 1867. Volgens Google is de schaal ongeveer 1/7.
6. Hier is het allemaal mee begonnen, tijdens een reis opeen schip
7. Stirling motor
8. Dit is een model van de ‘Elegante’ stoommachine. In een blad stonden een paar afbeeldingen die Tom als voorbeeld gebruikte, en het is een prachtig stuk geworden.
9. Kleine stoomtrekker, merkloos en gebouwd naar eigenidee
10. Deze stoommachine is ook gebouwd aan boord. De balansmachine is eigen ontwerp.
11. Zo’n IHC Famous werd ook wel in de landbouw gebruikt, voor een dorsmachine of een zaag.
12. Een model van een vlamhapper (flame gulper/flamelicker), ook wel vacuümmotor of atmosferische motorgenoemd. Zuigt de vlam naar binnen toe en maakt dan vacuüm. Het is één van de meest eenvoudige motoren die ooit zijn ontwikkeld.
13. Motor van het merk Witte, van oorsprong Amerikaans. Deze motor maakt een constant toerental en dat komt door de regelateur. De meeste motoren van Tom draaien op gas. Deze Witte werd ook gebruikt voor een dorsmachine of voor het heen en weer trekken van de ploeg.
14. Oscillerende stoommachine V4. De motor kun je zo inbouwen in een klein bootje. Met een voedingswater-pomp en olie is het motortje helemaal selfsupporting.
15. Een klein maar fijn stoommachientje. Een scheepsinspecteur wilde het model wel overnemen, maar dat was natuurlijk niet de bedoeling.
16. Wilesco D406. Een van de eerste modellen – een cadeau van zijn vrouw, die het model gekocht had bijeen antiquair. Het was niet helemaal compleet, maar Tom maakte er wat onderdelen bij. Nu is dit de aartsvader van de hele verzameling.

Bekijk hier de gepassioneerde Tom in het item van Omroep Flevoland.


66 INTERVIEW
ONZE PENNINGMEESTER STOPT ERMEE  Marcel Scholten

Marcel herinnert zich zijn benoeming nog goed. “De functie van penningmeester kwam vacant doordat Roel de Langen stopte. Iemand in het bestuur moest zijn taken overnemen en dat ben ik toen gaan doen. We waren in die tijd nog een kleine vereniging met iets van driehonderd leden. Roel hield de inkomsten en uitgaven met een potloodje bij in een soortkasboek. In het begin deed ik dat ook, maar dan wel met een typemachine. Al vrij snel daarna ben ik gaan werken met computerprogramma’s. Dat scheelde me een hoop rekenwerk.”

Op de dag van het interview, ergens half december, zit Marcel achter zijn opengeklapte laptop. Hij voert de laatste cijfers in om in de eerstkomende bestuursvergadering een sluitende begroting voor het boekjaar 2026 te kunnen presenteren. In al die jaren dat hij de kas van onze vereniging beheerde heeft hij altijd zwarte cijfers geschreven, en zag hij bovendien kans een reservepotje te reserveren voor onvoorziene tegenvallers. “Sluitend begroten”, zo legt Marcel uit, “is vooral een kwestie van kritisch op de uitgaven zijn. Bij iedere uitgave die in de bestuursvergadering moet worden goedgekeurd stel ik vragen als: Is dit wel echt nodig? Kan dit niet een jaartje wachten? Of kan het misschien goedkoper? Dat werd me door de andere bestuursleden niet altijd in dank afgenomen...Ik stelde daar dan altijd tegenover: jongens, bedenk wel dat er voor die uitgave die jullie willen doen dekking moet komen. Dat kan alleen door de contributie te verhogen. En die contributieverhoging moeten we wel op de Algemene Vergadering kunnen verantwoorden.”

Marcel Scholten neemt op de komende Algemene Vergadering afscheid als penningmeester van de L.C.N. Hij bekleedt die functie sinds 1995, ruim dertig jaar. Daarvoor was hij al twee jaar gewoon bestuurslid.

De twee belangrijkste uitgavenposten zijn ons clubblad Agritoy en het organiseren van de jaarlijkse L.C.N.-beurs. Beide activiteiten worden alleen maar duurder, zegt Marcel. “Dat heeft er ook mee te maken dat het voor verenigingen, ook voor ons als L.C.N., steeds moeilijker wordt om voldoendevrijwilligers te vinden. Bij Agritoy hebben we dat gemerkt toen Emiel van Loon aankondigde te willen stoppen als eindredacteur. Op herhaalde oproepen heeft niemand zich gemeld om Emiel op te volgen, met als gevolg dat zijn werk nu door iemand wordt gedaan die betaald moet worden. Zoals het er nu naar uitziet zullen ook mijn werkzaamheden als penningmeester voor een deel worden uitbesteed aan een betaalde kracht.”

Een ander typerend voorbeeld dat Marcel benoemt is het zand op de L.C.N.-beurzen. “De eerste jaren dat we zandbakken op de beurs hadden, waren er altijd wel leden te vinden die een kar zand en een lap landbouwplastic kwamen brengen. Verder waren er genoeg vrijwilligers om dat zand opkruiwagens naar binnen te rijden en na de beurs weer naar buiten te kruien. De laatste jaren bestellen we dat zand bijeen bedrijf dat het ook zelf binnen brengt en weer weghaalt, simpel omdat we er niet de mensen voor hebben om dit werkte doen. Dat zand is zo wel een serieuze kostenpost.”

Marcel stopt dus na de ledenvergadering in maart als bestuurslid. Hij blijft gelukkig wel schrijven voor Agritoy. Voor ons clubblad maakt hij de rubriek ‘De jeugd heeft de toekomst’, en hij schrijft regelmatig over het verbouwen en zelfbouwen van miniaturen en diorama’s. In het vorige nummer van Agritoy bijvoorbeeld schreef hij een artikel over het maken van een mallejan met een boomstam erop en een paard er voor. Dat is meteen een mooi bruggetje om Marcel voor testellen om zijn verzameling miniaturen te gaan bekijken. Zijn mooiste items staan in een vitrine in de woonkamer. De reststaat boven in een aparte kamer waar Marcel het daglicht zoveel mogelijk buitenhoudt.Net als veel andere leden van de generatie van Marcel (hij wordt in maart 70) begon de kennismaking met landbouw-miniaturen met twee speelgoedtrekkertjes van Dinky Toys:de rode Massey-Harris en de oranje Field-Marshall. Daarna kwamen de Fordson Majors en Massey Fergusons van Corgi Toys en Matchbox, en nog weer later de eerste modellenvan Britains. De Massey-Harris heeft Marcel nog steeds, de Field-Marshall niet meer. “Die had ijzeren wielen, dat vond ik niet mooi. Daarom heb ik hem verkocht. Mijn Massey-Harris had al rubberbanden, daarom heb ik die altijd gehouden.”

Het trekkertje staat met de bekende hooihark van Dinky Toys beneden in de vitrine in de woonkamer. Beide zien er voor hun leeft ijd nog heel netjes uit. “Dat komt”, zegt hij, “doordat ik er nooit mee in de zandbak heb gespeeld. Dat deed ik wel met de Fordson Dexta van Matchbox en die heeft dat dus niet overleefd.”

Het spelen met trekkertjes ging bij Marcel eigenlijk vanzelf over in sparen. Dat kreeg een boost toen hij als jongen van een jaar of achttien in het kader van een stage op bezoek was bijeen Steyr-dealer. “Daar vertelde ik dat ik speelgoedtrekkertjes spaarde en toen zei die dealer: dat doet mijn zoon ook. Kom maar eens mee, dan zal ik je zijn verzameling laten zien. Die zoon had een vitrinekastje staan met allerlei modellen waarvan ik het bestaan niet kende, dus ik wilde heel graag weten hoe hij daar aangekomen was. Nou, onder andere dus bij Spelt in Lunteren, die adverteerde in het weekblad Boerderij. Dat hadden wij thuis niet en daardoor wist ik niet van het bestaan van Spelt. Via de zoon van die Steyr-dealer leerde ik ook andere liefhebbers kennen. Gaandeweg vormde zich zo een clubje dat uiteindelijk in 1989 leidde tot de oprichting van de L.C.N.” Marcels betrokkenheid bij de L.C.N. is best wel bijzonder als je bedenkt dat hij van huis uit niet met trekkers is opgegroeid; zijn vader was timmerman. Wel hebben ze altijd in een landelijke omgeving gewoond tussen boeren in. “Het werken opeen boerderij heeft me altijd aangetrokken. Als mensen mij vroegen wat ik later wilde worden, zei ik altijd: boer. Daarom speelde ik als kind ook met trekkertjes en boerderijdieren, en daarom ben ik na de lagere school naar de landbouwschool gegaan en niet zoals je misschien had mogen verwachten naar de technische school. Tijdens mijn opleiding liep ik stages bij melkveebedrijven, want mijn hart lag bij koeien, niet bij varkens of kippen.”

Zelf boer worden zat er echter niet in. Dat realiseerde Marcel zich ook toen hij een paar jaar in een vaste dienstbetrekking bij een melkveebedrijf werkte. Om de rest van zijn leven medewerker te blijven, leek hem toch niet aantrekkelijk. Hij trad in dienst bij het Ministerie van Landbouw als assistent van een districtsbureauhouder, in vakjargon DBH genoemd. Daarvan waren er toen 52 in heel Nederland. De DBH’s hielden een registratie bij van het aantal dieren dat op boerderijen werd gehouden en van de gewassen die boeren op het land verbouwden. Ieder jaar moesten zij dat opgeven aan de DBH bij de zogenoemde meitelling. Uiteindelijk werd Marcelzelf ook DBH. “Voor mij was dat een soort thuiskomen, want in die functie kwam ik veel op boerderijen. Alleen werkte ik niet meer met een mestvork of een hooivork, maar met pen en papier en een typemachine.”

In zijn hart bleef Marcel altijd een beetje boer, en dan vooral een koeienboer. Dat zie je terug in zijn verzameling miniaturen. Hij spaart vooral werktuigen die ze in de rundveehouderijgebruiken. Ook bij de keuze van trekkermodellen houdt hij er rekening mee. “Bij mij zie je geen trekker van 200 of meer pk voor een hooischudder, maar liever eentje van 50 pk.” Zijn favoriete merk is Ford. “Dat komt vooral doordat Ford in mijnjeugd de trekker was die je in de omgeving het meest zag.” Bij het verzamelen van miniaturen is Marcel behoorlijk selectief. Een van de beperkingen die hij zichzelf oplegt is dat hij niet meer miniaturen mag hebben dan er in zijn kastenpassen. “Die staan vol, dus voor ieder nieuw miniatuur dat ik koop wordt een ander verkocht.” Tegenwoordig koopt hij vrijwel uitsluitend 1/32-modellen, maar in het verleden heeft hij ook een aardige verzameling in 1/64 opgebouwd. Die staan samen met zijn verzameling boerderijdieren in een aparte vitrine. Ook heeft hij één 1/16-model. Dat is de Ford5000 uit de Precision Series van Ertl. “Die vond ik zo mooi dat ik hem niet kon laten staan.”

1. Penningmeester Marcel Scholten legt de laatste hand aan de begroting voor 2026
2. Marcel heeft ook een verzameling 1/64-modellen,plus een collectie boerderijdieren in de schaal 1/32
3. De Kaweco mesttank is een door Marcel verbouwd UH model van een Joskin tank
4. Ford, tegenwoordig New Holland, is Marcels favoriete trekkermerk
5. Misschien nog wel het meeste plezier beleeft Marcel aan het bouwen van diorama’s. Daar kan hij al zijn creativiteit in kwijt en hij doet het met een heel scherp oog voor details.
6. Dit is een voorbeeld van zo’n detail: de man op het bankje leest de Agritoy
7. Behalve miniaturen heeft Marcel ook veel documentatie over Ford en New Holland
8. Deze blauwe Ford hogedrukpers is een verbouwd model van de bekende Bamford pers van Britains
9. De County 762H is een redelijk onbekende conversie van een Ford 6600. Marcel kocht het zelfbouwmodel op de miniaturenbeurs in het Engelse Spalding.
10. De International 946 is van Réplicagri, de Veenhuis kipper is een door Marcel aangepast model van een kipper van Siku
11. Dit is een 1/32-model van een trekker voor trekkertrek, in de kleuren van een New Holland type TG. Het is gemaakt door Emil Karnok.
12. 1/64-model van een New Holland TV145 kniktrekker met laadschop
13. De Massey-Harris met hooihark heeft Marcel nog uit zijn kindertijd
14. De trekker is een door Marcel verbouwd en aangepast UH model van een Ford 5000. Ook de eg is zelfbouw.
15. Voor Poppema met zijn Miedema wagens op de marktkwam, had Marcel er zelf een gemaakt. Hij deed dat door op een platte wagen van Siku een nieuwe om- en opbouw te maken. In plaats van een trekker spande hij er een paard voor.
16. Deze twee USA New Holland mestverspreiders zijn door Marcel verbouwde Britains modellen
17. Deze USA New Holland mestverspreider heeft Marcel helemaal zelf gemaakt van losse onderdelen en kunststof panelen
18. De trekker is een Ford 5000 van Britains die is omgebouwd naar een 7000. De ploeg is gemaakt van twee vierscharige rondgaande ploegen van Siku.


70 BEURSVERSLAG CLAVIER  57 meter fraaie diorama’s in Hoog-België

23 november, een wat grijze dag met veel wind en kans op sneeuw. Niet zulke beste vooruitzichten voor een beursje in de Belgische Condroz, te Clavier. Toegegeven, zelfs deze Belg heeft even moeten zoeken waar het juist gelegen was... Enerzijds tegen Hoei, en aan de andere zijde tegen Durbuy, Hoog-België dus. Met de dreigende weersverwachting zijn

we toch maar op pad gegaan, en onze tocht heeft zeker niet ontgoocheld!

Na wat zoeken kwamen we uit op een splinternieuwe zaal met zeer ruime parking, altijd handig. Eens binnen was er een leuke en gezellige drukte. Direct vielen mij enkele exposanten op die ik op voorgaande beurzen nog niet eerder zag. Altijd tof om zo volledig nieuwe zaken te zien.Als eerste stond daar Hercu Legrand Lesage met verschillende 3D-geprinte ontwerpen. Hierbij was een Claas C50 bunker hakselaar en een Deroo kipper met inschuifbare schotten. Heel mooi gedaan! Een voor mij nieuwe naam was Wiliam Atisy, met enkele zeer mooie tegeldiorama’s. Een hiervan bestond uit een John Deere met TIM cabine (van de Franse fabrikant Timmerman), met hierachter een Delmotte getrokken kraantje. Grappig detail is de hond die het wiel even markeert. Of wat te zeggen van de John Deere 4440 met aangepast Brimont kippertje. En dit alles ook nog een prachtig vervuild, top! Naast Wiliam stond er een mooi diorama gewijd aan de bietenoogst. In België, zeker de streek rondom Luik, maken akkerbouwers nog heel veel gebruik van het tweefasensyteem, net zoals het hier was uitgebeeld. Een zeer prachtige Gilles RB 200-s opraper, tot in de kleinste details nagebouwd, en

een John Deere met Gilles rooier vormen hier het team. Een ander diorama toonde dan weer de graanoogst, met een Claas Torion 720 samen met een JD met een naar twee-assig verbouwde Joskin kipper. Niet geheel nieuw voor mij was ‘Lamanufacture 132 Joskin’. Enkel en alleen maar modellen van Joskin, waaronder een deel verbouwd of zelfbouw. Op nog een ander, iets groter dio, was men volop bezig met de maisoogst. In actie een John Deere 6650 hakselaar samenmet een John Deere 7800 met een zelfb ouw silocombinatie. Iets verderop rijdt een John Deere 5125 R met Duchesne kippertje, terwijl op de voorgrond een 4450 met Steeno front-woeler en Rabe rotoreg met Amazone zaaier bezig is. De LMBV (de Belgische miniaturenclub) had hun clubmodel mee, een Tank bietenzaaier. Het laatste diorama dat ik hier bespreek, is een buitenbeentje... eentje zonder ‘echte’ trekkers zoals we ze nu kennen, maar wel enkele paardenkrachten. Een bosbouwdio waarop enkele Brabantse trekpaarden de bomen het bos uit sleuren onder het toeziende oog van enkele toeristen. Heel tof gedaan!

Ondertussen was het buiten een ferm hondenweer geworden, met wind, regen en smeltende sneeuw. Dringend tijd dus om de terugweg aan te vatten. Het was alleszins een geslaagde beurs met ruim 300 bezoekers voor zo’n 117 metertafels (waarvan 57 meter diorama). Op naar de derde editievolgend jaar, die op 22 november 2026 zal zijn.

arrows-right arrow-down arrow-right beursmodellen landbouwminiaturenbeurs clubmodellen magazine facebook